|
Vóór iedere injectie dient een veiligheidstest uitgevoerd te worden.
Dit verzekert u van een accurate dosis, doordat:
- u zeker bent dat de pen en naald goed werken
- eventuele luchtbelletjes verwijderd worden
| 1. |
 |
Stel een dosis van 2 eenheden in door de dosis instelring te draaien. |
| |
|
|

| |
|
|
| 2. |
 |
Verwijder de buitenste naaldbeschermhuls en bewaar deze om na injectie de naald weg te gooien.
Verwijder de binnenste naaldbeschermhuls en gooi deze weg. |
| |
|
|

| |
|
|
| 3. |
 |
Houd de pen met de naald naar boven. |
| |
|
|
| 4. |
 |
Tik zachtjes tegen het insulinereservoir, zodat eventueel aanwezige luchtbellen opstijgen richting de naald. |
| |
|
|
| 5. |
 |
Druk de doseerknop volledig in. Controleer of er insuline uit de punt van de naald komt. |
| |
|
|
Het kan nodig zijn de veiligheidstest een aantal malen te herhalen voordat u de insuline ziet.
- Indien er geen insuline uit de punt van de naald komt, controleer dan op luchtbelletjes en herhaal de
veiligheidstest nog tweemaal om deze te verwijderen.
- Als er nog steeds geen insuline uit de punt van de naald komt kan de naald verstopt zijn. Wissel van naald
en doe de veiligheidstest opnieuw.
- Als er geen insuline uit komt na het verwisselen van de naald kan het zijn dat de SoloStar® beschadigd is.
Gebruik deze SoloStar® niet.
|